- show
- n. toneelstuk; opvoering; programma; tentoonstelling; amusementsvoorstelling, schouwspel, show; vertoon; schijn--------v. tonen, laten zien; duidelijk maken; aantonen, bewijzen; vertonen; tentoonstellenshow1[ sjoo]I 〈telbaar zelfstandig naamwoord〉1 vertoning ⇒ show; 〈informeel〉 uitzending, opvoering2 spektakel(stuk) ⇒ grootse vertoning3 tentoonstelling4 indruk ⇒ uiterlijk5 spoor ⇒ aanwijzing6 〈informeel〉poging ⇒ gooi, beurt7 〈voornamelijk enkelvoud〉zaak ⇒ onderneming♦voorbeelden:1 a show in the theatre • een toneelopvoering2 a show of force/strength • een machtsvertoona fine show of blossoms • een prachtige bloesemtooi〈figuurlijk〉 make a show of something • ergens een hele drukte om makenmake a show of one's learning • te koop lopen met zijn geleerdheid4 make a show of interest • belangstelling voorwendenunder a show of benevolence • onder het mom van welwillendheid5 he wasn't even given a show of appraisal • hij kreeg zelfs geen schijntje waarderingno show of resistance • geen enkel blijk van verzet6 a bad/poor show • een slechte beurtgood show! • goed geprobeerd!put up a good show • een goede prestatie leveren7 the man behind the show • de man achter de schermen¶ vote by (a) show of hands • door middel van handopsteking stemmenlet's get this show on the road • laten we nu maar eens beginnengive the (whole) show away • de hele zaak verradensteal the show • de show stelen〈informeel〉 all over the show • door elkaar, overalII 〈niet-telbaar zelfstandig naamwoord〉1 uiterlijk ⇒ schijn, opschepperij2 pracht (en praal)3 vertoning ⇒ demonstratie♦voorbeelden:1 this is all empty show • dit is allemaal slechts schijnshe only does it for show • ze doet het alleen voor de show3 what's on show today? • wat wordt er vandaag vertoond?objects on show • de tentoongestelde voorwerpen————————show2[ sjoo] 〈showed [sjood], shown [sjoon]〉I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 (zich) (ver)tonen ⇒ (duidelijk) zichtbaar zijn, (ver)schijnen, eruitzien, vertoond worden 〈van film〉2 blijken (te zijn) ⇒ duidelijk worden3 〈Amerikaans-Engels〉als derde (of hoger) eindigen 〈in paarden/hondenrace, bij weddenschap〉4 〈informeel〉komen opdagen♦voorbeelden:1 some buds start showing • enkele knoppen beginnen te voorschijn te komenhis education shows • het is goed merkbaar dat hij goed onderlegd isthe scar still shows • het litteken is nog goed te zienyour slip is showing • je onderjurk komt eruittime will show • de tijd zal het lerenwhat's showing at the cinema? • wat draait er in de bioscoop?her Dutch accent still shows through • haar Nederlandse accent is nog (goed) hoorbaar2 the hero in him showed • de held in hem kwam naar boven4 the man never showed • de man is niet komen opdagen¶ it just goes to show! • zo zie je maar!II 〈overgankelijk werkwoord〉1 (aan)tonen ⇒ laten zien, tentoonstellen, vertonen2 uitleggen ⇒ demonstreren, bewijzen3 te kennen geven ⇒ ten toon spreiden4 (rond)leiden5 aanwijzen6 〈formeel〉bewijzen ⇒ schenken, verlenen7 〈economie〉sluiten met♦voorbeelden:1 show one's cards/hand • open kaart spelen 〈ook figuurlijk〉show me an example • geef me een voorbeeldshe never shows her feelings • ze toont haar gevoelens nooitthis year's figures show some recovery • de cijfers van dit jaar geven enig herstel te zienwhich film are they showing? • welke film draaien ze?show (someone) the way • iemand de weg wijzen 〈ook figuurlijk〉; een voorbeeld stellenshow oneself • je (gezicht) laten zien; je ware aard tonenhe has nothing to show for all his work • zijn werk heeft helemaal geen vruchten afgeworpen2 that remark shows her stupidity • die opmerking illustreert hoe dom ze isshow me the truth of what you're saying • bewijs me dat het waar is wat je zegtthis goes to show that crime doesn't pay • dit bewijst dat misdaad niet loonthe showed me how to write • hij leerde me schrijven3 show one's feelings • zijn gevoelens uitenshow one's kindness • vriendelijk blijken te zijnimpressed by the vast knowledge she showed • onder de indruk van de enorme kennis die ze aan de dag legdeshow bad taste • van een slechte smaak getuigen4 show someone about/(a)round • iemand rondleidenshow someone in/out • iemand binnenlaten/uitlatenhe showed us (a)round the house • hij liet ons het huis zienshow her into the waiting room • breng haar naar de wachtkamerI'll show you out of the house • ik zal u uitlatenshow someone over the factory • iemand een rondleiding geven door de fabriek5 the clock shows five minutes past • de klok staat op vijf over6 Lord, show mercy • Heer, schenk genade7 show a deficit • sluiten met een tekort
English-Dutch dictionary. 2013.